Zondag 30 november 2003

“Laat je de deur open en laat je me niet in de steek?”

“Nee ik laat je nooit in de steek,” zegt hij en hij laat de deur van mijn werkkamer achter zich open.


Zaterdag 29 november 2003

Mijn stress drijft hem tot pieken! Hij heeft verrukkelijk gekookt, een roerbakschotel van garnalen en stukjes vis; courgette en bloemkool; mihoen.

Hij heeft alle boodschappen gedaan, maar zelf ben ik als verzetje naar de markt geweest om bij Greta’s kraam fruit te kopen.


Vrijdag 28 november 2003

Kleinzoon is vandaag twaalf geworden.

“Willen jullie mijn Latijnse pyama zien?” vraagt zijn zus van tien aan het verjaardagsbezoek. Even later showt ze in de deuropening een glanzende, zilverkleurige pyama.

“Hoe weet je nu dat het een Latijnse pyama is?” vraagt iemand.

Ze wijst op het labeltje: 100% satijn.

"Latijnse pyama", de klassiek geschoolde man van haar oma had het gezegd kunnen hebben.


Donderdag 27 november 2003

Om mij te ontzien in het vuur van mijn deadline is hij alvast begonnen aan de weekendboodschappen.

 “Je hebt het er maar druk mee,” zeg ik als hij tussen de bedrijven door een bliksembezoek aan mijn werkkamer brengt.

“Dat geeft veel lust en zekerheid!” verklaart hij met een opgewekt gezicht.

Mijn ogen staan vermoedelijk wat glazig want hij vervolgt: “Ach nou ja, ik bedoel heel iets anders, maar lust en zekerheid is wel goed toch?”


Woensdag 26 november 2003

Stressig en nauwelijks aanspreekbaar zit ik gebogen boven een stapel a4-tjes en krabbel met rood en zwart suggesties - die voor een deel door de opdrachtgever verworpen zullen worden - in de kantlijnen.

Mijn echtgenoot komt de werkkamer binnen. Hij kijkt mijn kant op, maar ziet mij niet, terwijl ik op twee meter afstand midden in zijn blikveld zit. Kijk dan uit je doppen, man! kreunen mijn adrenalinehersens. Hij draait zijn hoofd en verplaatst daarmee zijn dooie hoek. Zijn gezicht leeft op als hij mij in het vizier krijgt.

“Wat ben je aan het doen?”

“Ik gooi paarlen voor de zwijnen.”

“Waar dan? Ik zie geen paarlen. En zwijnen.”

“Omdat je een dooie hoek hebt.”

Hij ontkent het op dit moment even niet en dat is op dit moment heel verstandig.


Dinsdag 25 november 2003

"Wat ga je doen in de vijfde fase?" vraag ik.

"Fotograferen," zegt hij.

"De natuur uit de vierde fase?"

"Ja die ook."


Maandag 24 november 2003

“Misschien komt er een vijfde fase.”

“Hoe is die dan?”

“Dan kan ik niet meer praten.”

“Dat was toch in de vierde fase?”

“Nee, in de vierde fase kan ik niet meer lezen en pianospelen.”


Zondag 23 november 2003

“Ik vond het machtig mooi gisteren in het Van Abbemuseum, vond jij dat ook?”

“Wat vond je het mooist?”

“Nou eh... die tentoonstelling van die jonge man, die hele grote... olieverf geloof ik, die jij ook mooi vond, de blik in de dood, een jaar voor zijn dood.”


Zaterdag 22 november 2003

“Dit is het mooiste museum dat ik ken,” zegt hij vandaag in het Van Abbemuseum in Eindhoven. 

Muziek die hij hoort is de mooiste muziek die hij ooit gehoord heeft, een gedicht dat hij leest is het mooiste gedicht dat hij ooit gelezen heeft. Hij beleeft het leven totaal! Tot het op is.

We kijken naar een wanhopig radeloos zelfportret van Martin Knippenberger, een jong overleden Duitse kunstenaar.

“Wat afschuwelijk en wat prachtig.” Zijn blik gaat van het portret naar mij en weer terug. Hij is diep geraakt.

“Als ik doodga weet ik dat ik bij jou wil zijn. Ik ben het gelukkigst met jou,” hij knijpt in mijn hand. 

“Dit is het mooiste museum dat ik ken,” zal hij zeggen als we volgende keer in het Stedelijk Museum in Amsterdam lopen.


Vrijdag 21 november 2003

“Ik wil er niet heen. Ik vind haar oudere nummers niet zo mooi,”  zei hij vier weken geleden aan tafel tegen studerende dochter en mij. Een paar dagen eerder, aan tafel bij vrienden, had hij juist vurig wél een bezoek aan het concert van Mercedes Sosa gewenst.

Daags nadat hij die wens weer had verworpen, kwam hij thuis met twee peperdure kaartjes - de twee laatste die er nog waren vertelde hij met krullende neus - voor studerende dochter en mij. Een cadeautje.

Vandaag vergezelt hij ons in de lange rij voor de ingang van het muziekcentrum. Geen vaste plaatsen betekent op tijd aanwezig om mooie plaatsen te bemachtigen. Om 19.30 uur gaan de deuren open. Bij de kaartcontrole neemt hij afscheid van ons. We zien een spoortje spijt op zijn gezicht, als hij zich nog een keer omdraait en zwaait.

Drie uur later komen we opgetogen thuis. Hij schenkt sap en likeur, en wij vertellen over de Argentijnse zangeres, die ‘de stem van de zwijgende meerderheid van Latijns Amerika' wordt genoemd. We vertellen dat ze bijna niet meer kon staan, dat ze het podium op werd gehesen, dat ze zittend zong maar tijdens het laatste nummer toch zingend over het podium schuifelde, dat het publiek uitzinnig was en na haar laatste nummer hardnekkig bleef klappen en roepen om meer en ten slotte werd beloond met ‘Maria, Maria’, nadat ze wederom met veel ondersteuning het podium had weten te bereiken. Hij luistert gretig naar elk detail over de 68-jarige majestueuze diva. Zij en hij hebben dezelfde leeftijd.

Dan vraagt studerende dochter naar zijn verhaal. Hij heeft de krant gelezen. En... dat was meesterlijk... poëzie. Hij is niet te vermurwen tot spijt over het gemiste concert. Hij gaat wel een andere keer, als ze weer in Nederland komt.


Donderdag 20 november 2003

“Weet jij wat inr is?” hij duwt een brief onder mijn neus. Gisteren is hij naar het laboratorium geweest om bloed te laten prikken. Dat gebeurt om de vier weken. In de brief heeft iemand geschreven dat hij een te laag inr heeft en vraagt of hij zijn medicijnen soms vergeten is te slikken.

Als ik niet weet wat inr is, haalt hij laconiek zijn schouders op, maar zodra hij mijn werkkamer heeft verlaten, spoed ik mij op internet.

‘De INR (International Normalised Ratio) is een internationale maat die aangeeft hoe het staat met de stolbaarheid van het bloed.’ lees ik. Bloedstolsels, brr! Vitamine K helpt, lees ik. Met hulp van Google ben ik er snel achter dat er Vitamine K zit in spinazie, boerenkool, zuurkool, bloemkool en in alfalfa, yoghurt en eidooiers. Ik print het lijstje en leg het op de krant die mijn lief aan het lezen is.

“Wat is alfalfa?” vraagt hij.

Opnieuw wijst good old Google mij de weg naar antwoord: 'Deze spruitgroente ziet eruit als minitaugé en ontstaat uit ontkiemd zaad van de Luzerne-klaver. Duizenden jaren geleden schreven de Arabieren een genezende en vitaliserende werking aan deze groente toe. Vandaar de naam AL-FAL-FA, dat vader van alle voedsel betekent.’

Ik vertrek en als ik tegen half zeven thuiskom staat hij een ‘machtig mooie’ bloemkoolschotel in de wok te roerbakken.

Opgelucht concudeer ik dat hij zijn inr serieus neemt. Die enge stolseltjes zitten me behoorlijk dwars. Het is net als bij zaadcellen: er hoeft er maar één te zijn die zijn werk goed doet en je bent er bij of je bent er geweest.


Woensdag 19 november 2003

“Machtig mooi! Maar menig beeld... is...  heeft mij niet toegezegd.”

Na vijf minuten doorvragen weet ik wat dat betekent: Ik heb prachtige beelden gezien, maar ik kon ze niet fotograferen.

Hij is naar het museum geweest en miste zijn fototoestel!


Dinsdag 18 november 2003

Ik kan het bijna niet geloven, maar toch is het zo: de blaadjes zijn van de bomen gevallen. Vanuit mijn werkkamer zie ik aan de overkant van het water mijn echtgenoot langs kale takken op huis af  wandelen. Het is mottig weer. Het lijkt nog maar gisteren dat we tot laat in de avond op het balkon buiten zaten.

De Spaanse pet doet dubbele dienst. De pet houdt zijn hersens warm, waardoor zijn woorden beter beschermd zijn, en de pet neemt hem mee uit wandelen, waardoor hij aan lichaamsbeweging doet.

“Waar heeft je pet je vandaag gebracht?” vraag ik aan de pretogen onder de pet.

“In de Nachtegaalstraat, daar,” zijn hand wappert richting Adelaarstraat.

“Was het koud?”

“Beetje..., wat heb jij gedaan? Gewerkt? Vroeger liepen we daar met z’n tweeën.”

“Nu heb je je pet.”

“Maar die pet die haalt het niet bij jou.”

“Gaan we gauw eens met z’n drietjes.”


Maandag 17 november 2003

“Die vierde fase kan ook níet komen, misschien blijft het bij de derde,” zijn linkerhand glijdt over het zilverharige deksel van zijn hersens.

“Dan leer je de natuur niet bevlogen kennen.”

“Nee, das waar.”

Stilte.

“Maar dan kan ik pianospelen,” de vingers van zijn linkerhand pingelen in de lucht.

“En lezen,” tussen linkerduim en -wijsvinger houdt hij ‘Het voordeel van een slecht geheugen’ van Friedrich Nietzche voor mijn neus.

“En praten?” vraag ik.

“Eh... praten, ja, praten kan ik in de vierde fase ook... denk ik, misschien niet zo goed als nu, maar lezen gaat dan niet meer. Maar misschien komt er geen vierde fase, je weet ‘t niet.”

“Praten blijft...?” aarzel ik bij de herinnering aan de vorige uitleg van de vierde fase.

“Ik denk het wel, maar Dante lezen, Dante is zo machtig mooi! Als ik Dante niet meer kan lezen... dat is het allerergste.”


Zondag 16 november 2003

Kleinkinderen en ik scrabbelen. Echtgenoot gaat solo naar het museum. Met de Spaanse pet op. Ziet eruit als Rembrandt zelve.

Hij is opgetogen als hij thuiskomt, want twee leuke vrouwen op straat zeiden tegen hem dat hij er mooi uitzag en vroegen of hij kunstenaar was, waarop hij “Grieks en Latijn” had geantwoord.

“De rest van de weg danste ik naar huis!” straalt hij.

Goed zo vrouwen, zo haalt-ie de 80 wel.


Donderdag 13 november 2003

“Lekkere pantoffels,” zegt hij tijdens de avondmaaltijd.

“Welke pantoffels bedoel je?”

Hij wijst naar de aardappelen op zijn bord. “Die gebakken pantoffels eh... zo heet dat toch?”

Haar hersens flitsen naarstig heen en weer tussen aardappelen en pantoffels,  terwijl een glimp zelfspot op zijn gezicht verraadt dat hij beseft dat het geen gebakken pantoffels zijn die zijn tong strelen.

Ach natuurlijk: “Pantoffels, kartoffels, bedoel je soms kartoffels?”

Hij knikt, wijst naar zichzelf en vraagt: “Deze kolossale kartoffel, wil je daar wel mee getrouwd zijn?” Zij wijst op zichzelf en vraagt: “En jij met deze eigenheimer?”

Boven de gebakken aardappelen knikken de kartoffel en de eigenheimer elkaar dik tevreden toe.


Woensdag 12 november 2003

Hij moet ermee leven dat zijn woorden een spelletje met hem spelen. Ze gaan en komen zonder dat hij daar invloed op heeft. Gisteren gingen ze, vandaag kwamen ze weer. Verdriet en angst en opluchting wisselen elkaar af. Verslindend verdriet als je het gat van verloren woorden goed tot je door laat dringen.

Maar deze man zou deze man niet zijn als hij zich gewonnen gaf. Vandaag, in de late, kleine uurtjes, introduceert hij de vierde fase. Een fase die hij als een spook aan de horizon ziet opdoemen. Een fase die hij alvast gaat stutten.

“De vierde fase is als ik niet meer kan lezen en praten... ik ben niet kierewiet, dat denken ze misschien. Liefje, als ik niet meer kan lezen heb ik muziek. Maar ik wil iets nieuws. De natuur in. Dat heb ik nooit gedaan en dan wil ik met iemand die daar heel fantastisch goed in is. Die mij leert.”

“Een bevlogen natuurliefhebber, bedoel je dat?”

“Ja, iemand die bevlogen is en mij laat zien wat het is.

Wat een onvoorstelbaar woeste levensdrang. Hij is een bevlogen levenskunstenaar die 'mij laat zien wat het is’.


Dinsdag 11 november 2003

Ons verzamelde nageslacht: zes kinderen tussen 19 en 38 jaar. Twee kleinkinderen van 10 en bijna 12. Een kleinkind erbij in januari 2004.

In de woonkamer hangt de hele meute gemixt in fotolijstjes aan de wand. Duizendpoot heeft er vrijdag dertien lege lijstjes bij gehangen. Voor nageslacht dat in aantocht is en voor nageslacht dat ouder wordt. Een fotowand op de groei.

“De kinderen zijn goed, dat wil zeggen goed. Ze zijn heel fantastische lieve kinderen.” Hij praat vanuit zijn tenen.

“Hoe vind je de fotowand?”

“O ja, nou... De grote... die we terug hebben gehad... die... ik kan niet praten, gaat niet goed. De foto’s... eh... nee het gaat niet. Ik ben niet goed, ik kan niet praten.” Hij kijkt gekweld. Hij raakt over de verzameling nageslacht nooit uitgepraat maar vandaag is hij doodmoe.


Maandag 10 november 2003

Drie eerdere huwelijken - twee van hem en een van mij - hebben zes kinderen opgeleverd: drie dochters en drie zonen. Het huidige huwelijk is een en een kwart jaar oud en alle betrokkenen beginnen de nieuwe familiesamenstelling gewoon te vinden, de een wat meer dan de ander, en ieder met eigen herinneringen aan wat vroeger gewoon was.

“Gewone soep bestaat niet. Ik dien de soep op, maar hij komt nog wel wat tegen uit het verleden” cryptogramt mijn echtgenoot en hij vervolgt: “Zarathustra, die heb jij mij op het spoor gebracht.” 

Oei, ik weet van niets! “Wat bedoel je?” Zijn antwoord gaat over studerende dochter – de jongste van de zes – dat ze meer bezig is met heden dan verleden. Ik kan er geen touw aan vastknopen. “En Zarathustra?” vraag ik. “Ik weet het niet meer,” zegt hij.


Zondag 9 november 2003

Een tv-avond.

Als ‘Memories’ komt, kijkt hij gewillig met me mee naar mensen die hun jeugdliefde ontmoeten.

“Heb jij oude liefdes die je nog eens zou willen zien?” vraag ik.

Hij peinst een paar minuten.

“De kleuterschool dat was een hele woeste tijd, de lagere school wat minder, daar was meneer Hoeflaken, een kaarsrechte man met een hoge hoed. Met een grijs vest en een zwarte jas en een zwarte broek. Ontzettend streng.”

“Zal ik de KRO bellen dat je een oude kleuterschoolliefde wilt ontmoeten?”

“Nee, die van de kleuterschool is dood.”

“Hoe weet je dat?”

“Dat denk ik.”

Dan overstijgt ‘Jiskefet’ de memories.


Zaterdag 8 november 2003

We pakken onze jassen en tassen, want er moet eten gekocht worden.

“Heb je je radio bij je?” vraagt hij.

“Nee.”

“Ach, ik bedoel... eh... je pinautomaat.”

“Mijn pasje?”

“Nee je automaat.”

“Bankpasje?”

“Je primafoon bedoel ik.”

“Mijn telefoon?”

“Verdorie, ja, heb je je telefoon bij je?”

“Ja.”

“Kom, we gaan.”


Vrijdag 7 november 2003

De derde fase van zijn leven is een geliefd gespreksonderwerp. Hij praat, ik schrijf.

“Liefje, je bent de goddelijkste liefde die ik ooit gehad heb.”

“Dat schrijf ik niet op.”

“Waarom niet?”

“Oké, nu ik dit gezegd wel.”


Donderdag 6 november 2003

We eten in een Portugees restaurant en hij vertelt dat hij vandaag op de brug een vriendin van ons tegenkwam die juist een slechte tijding had gehoord.

“Ze liep heel erg te huilen en ik moest ook huilen en hebben we samen gehuild.”

“Samen brullend op de brug dus. Je bent wel een huilebalk geworden.”

“Ja, maar een huilebalk van goede spin...  ja, van goede spin!”

Klopt, hij huilt minstens twee keer week, maar zijn emoties zijn benijdenswaardig onversneden... ja, van goede spin!


Woensdag 5 november 2003

Als ik thuiskom staat hij in de badkamer voor de spiegel en kamt behaagziek zijn lange haar.

“Mooi hè!”

“Nou! Heb je het gewassen vanmorgen?”

“Nee, ik bedoel dat ronde ding voor aan en uit,” en dan zie ik naast de deur de nieuwe dimmer die Duizendpoot vandaag heeft bevestigd.

Hij blikt koket schuin in de spiegel naar zichzelf, kamt een lok de andere kant op en herhaalt: ”Mooi hè!”

“De dimmer toch?” aarzel ik.

“Ja, wat anders?”


Dinsdag 4 november 2003

“Je hebt mensen die wel Wedgewood kennen maar nog nooit van Bang&Olufsen hebben gehoord. Andersom komt niet voor: mensen die wel van Bang&Olufsen hebben gehoord maar nog nooit van Wedgewood.  Kan je me zeggen hoe dat komt?” vraag ik.

“Omdat het ene Angelsaksisch is, dat is dichterbij. Dat andere komt uit... Rusland, nee, Zweden, nou ja, daar uit het Noorden. Dat is veel verder weg”  is het antwoord.

“Denemarken. Maar wie zijn dat dan die nooit van B&O gehoord hebben?”

“Nou, die nooit  verder gekeken hebben dan hun neus.”


Maandag 3 november 2003

6.30 uur. De wekker bliebt, en de dag kan niet meer stuk na de volgende opening.

“Wat geweldig is deze  s... s... wat fantastisch is het in deze sp... in deze... spelonk... hè, verdorie... alles blijft totaal in tact... mieters. Mijn wezen blijft helemaal op zijn plaats, het is heerlijk, veel beter dan die vorige.”

“Ja, dat vind ik ook.”

“Begrijp je dan wat ik bedoel?”

“Je wilt zeggen de sprei en je bedoelt het nieuwe dekbed.”

“Sprei  ja, dat is het.”


Zondag 2 november 2003

”De brandstapel is daar”, wees hij me gisterenmiddag toen we met een grote lege reistas op wielen de Gamma binnenliepen. Op de weekendboodschappenlijst stond ‘brandhout’ geschreven en dat gingen we nu halen.


Zaterdag 1 november 2003

De badkamerdimmer weigert werk. Ik hoop opnieuw succes te boeken in de kunst van omgaan met moeilijke dimmers (zie 15, 16 en 17 oktober). IJdele hoop: noch mijn echtgenoot noch mij lukt het er beweging in te krijgen.

Ongeveer 10 uur belt zwangere dochter. Haar man is hun badkamer aan het verbouwen. “Mogen we vanavond in jullie bad?”

“Natuurlijk, kom maar lekker badderen bij kaarslicht.”

Ongeveer 11 uur gaat studerende weekends-thuis-dochter naar de badkamer.  Geeft een donderende klap op de dimmer en de spotjes floepen aan. “Kijk nou!” zegt haar vader trots. Het hemd is nader dan de rok. Bij deze dimmerronde ligt de overwinning aan zijn kant.

Ongeveer 22.00 uur  genieten zwangere dochter en aanstaande vader van een kruidenbad bij dimlicht!

Ongeveer 0.30 uur dimmen we de badkamerspotjes, maar we doen ze niet uit. Kunnen we trouwens niet. Daar hebben we  zijn studerende dochter voor nodig.