Vrijdag 31 oktober 2003

We lopen langs een restaurant.

“Vreemde kleur, vind je ook niet?”

“Hu??”

“Ruik je het ook?”

“O.. geur!”


Donderdag 30 oktober 2003

Dialoog bij het ontbijt.

“Moet je nog veel doen?” vraagt hij.

“Een les voorbereiden voor vanmiddag.”

“Ja weet ik, maar hoeveel?”

“Eh... nou ja... veel... een les van drie uur.”

“Hoeveel is dat?”

“Een les van drie uur?”

“Tot je weggaat?”

“O dat! Ja, tot ik wegga, dat is ongeveer om twaalf uur.”


Woensdag 29 oktober 2003

De camera-ontbering gaat zes weken duren. Hij voelt zich ontroofd.

“Je mag mijn toestel meenemen”, bied ik aan als hij naar de stad gaat.

“Nee, dan zie ik niet meteen hoe de foto is.”

“Maar dat kon je achtenzestig jaar niet direct zien.”

“In de derde fase is alles machtig veel mooier. Want ik ben nu in de derde fase, besef je dat wel? Die eh... doos met die lens... Zeis Ikon... dat is het mooiste, nee eh... geen concessies.”

“Geen concessies, geldt dat ook voor je keuze voor mij?” vraag ik behaagziek.

“Nou! Geen enkele concessie! Jij bent voor mij de meest totale...! Dat doosje... telefoon, ach nee, hoe heet het nou toch... die lens...”

“Camera.”

“O ja, die camera, die moet jou in het machtig mooie licht eeuwig maken.”


Dinsdag 28 oktober 2003

Zij, na een lange dag van huis: “Vanaf volgende week geef ik voorlopig elke dag les.”

Hij, na een lange dag rondom huis: “Das leuk, maar je moet ook met mij tokken en nokken.”

Hij heeft zijn camera gemist. Onder andere.


Maandag 27 oktober 2003

Hij zal koken vandaag, hij is goed in rijst en pasta maar ik heb zo’n zin in stamppot, daarom gaat hij om half zes naar de traiteur en loop ik voor de gezelligheid mee en kopen we hutspot met runderlapjes, alles kant-en-klaar, en drinken we herfstsap op de vijfde etage van V&D en kijken we naar de ondergaande zon boven de stad en lopen we weer naar huis en dan doet hij iets wat hij nooit doet: hij steekt over bij een rood voetgangerslicht.

“Je wordt overmoedig op je oude dag” zeg ik verrast.

“Oude dag...” smaalt hij.

“Klinkt niet leuk hè? Maar het is toch zo?”

En dan vraagt hij: “Wat vind jij nu belangrijk en vroeger niet of andersom?” Ik zeg dat ik vroeger mijn voeten pijnigde op ongemakkelijke naaldhakken om groter te lijken en dat ik het nu belangrijk vind dat schoenen lekker zitten.

Hij zegt: “Nu in de derde fase, wil ik mijn kapsel niet aanpassen, ik wil lang haar, in de tweede fase vond ik dat ik me moest aanpassen, maar in de eerste fase hoefde dat niet. Nu ook niet, want ik ben in de derde fase. De derde fase, begrijp je dat?”

“Ja, ja, de derde fase is op je oude dag door rood licht lopen.”

“Rotzak!”

“Ouwe hippie!”


Zondag 26 oktober 2003

Een uur te vroeg spring ik onder de douche en de logerende kleinkinderen worden een uur te vroeg opgehaald door een vader die de haren uit zijn kop trekt van spijt om het niet-beslapen extra uur.

De keukenklok treft geen blaam: die wordt op tijd gehouden door signalen van de DCF-77 bij Frankfurt. Vier andere uurwerken wachten geduldig tot ze een uur terug worden getikt of gedraaid.

Echtgenoot, ontregeld door dit dubbelleven, kruipt hij om kwart over twee weer in bed, “tot vijf uur of zo, liefje”. Om zes uur – op zijn horloge – komt hij verontschuldigend beneden, krijgt te horen dat het pas vijf uur is, hij heeft honger, zodat we een uurtje later een uurtje eerder aan tafel zitten dan anders, maar eigenlijk op precies dezelfde tijd.


Zaterdag 25 oktober 2003

Zaterdagochtend

“Oma, mag ik helpen?” vraagt kleindochter van tien.

“Natuurlijk, graag zelfs!”

Eten maken voor vijftien mensen betekent werk aan de winkel.

We gaan naar de markt. Zij draagt twee tassen, ik draag twee tassen. Echtgenoot gaat met twee tassen naar de slijterij en zijn favoriete Marokkaanse buurtsuup. De kleinzoon, bijna twaalf, blijft computeren.


Zaterdagmiddag

“Oma, mag ik helpen?” vraagt de kleinzoon.

“Natuurlijk, graag zelfs!”

Op het menu staat zuurkool met banaan en gehakt, en een vegetarische rijstgroenteschotel. Ik bestudeer de recepten op de keukentafel. Echtgenoot loopt met zijn kapotte digitale camera het huis uit om hem eindelijk af te staan voor reparatie. Kleinzoon snijdt acht bananen en zes courgettes in plakjes. Kleindochter heeft een nieuwe site ontdekt: http://www.spele.nl/overige16.htm.


Zaterdagavond

Haardvuur, wijn, sapjes, cola, spa, twee dampende schotels en een vermoeide, vrolijke, geestige, hongerige verhuisploeg. Zwangere dochter en schoonzoon zijn vandaag verhuisd. Met haar vader, zus, zwager , zes vrienden en twee busjes hebben ze de hele koude dag heen en weer gereden tussen oude en nieuwe woning.

Nu verlangen ze warmte, voedsel en vertier. Ons huis fungeert als een grote moederschoot en als dank vullen de verhuizers het met tevreden geklok en gekoer.

Als na middernacht iedereen vertrokken is, de kleinkinderen total los en doorschijnend mooi liggen te slapen in de logeerkamer, en wijzelf afgepeigerd onze slaapkamer inkruipen, klinken gefluisterde woorden in de hoek van de slaapkamer: “Onze kinderen... onze kinderen, jouw kinderen en mijn kinderen, al die kinderen... van jou en van mij, liefje, al die kinderen zijn zo totaal!” Ik spits mijn oren en vang een groots genieten op!


Vrijdag 24 oktober 2003

Half acht in de ochtend. Slaperig achter de computer scharrel ik op de nipper nog wat lesmateriaal bij elkaar voor straks.

Een doffe dreun maant mij met grote spoed naar de badkamer.

Ik tref mijn man in een vreemd soort lotuszit bij de douchedeur. Zijn gezicht ziet er zo afwezig uit dat ik onmiddellijk ga testen of hij me hoort.

“Zeg eens een gedicht.”

“Vreselijk!”

“O mooi! Alles in één woord verenigd!”

Zijn mondhoeken gaan net genoeg uit elkaar dat er een lach van te maken valt. Even verder testen.

“En lekker kort, dat is lief van je, want ik heb weinig tijd. Heb je pijn?”

“Nee, geen pijn, echt niet! Ga maar rustig weg.”

“Jeetje, nog een volzin als toegift!”

Nu lacht hij oprecht. Met een steuntje in de rug help ik hem overeind. Hij schuifelt richting bed.

Na mijn les trap ik als een speer naar huis. Bij-hem-zijn! Bij-hem-zijn! Bij-hem-zijn!

Van verre zie ik dat hij de gordijnen heeft geopend. In de keuken kom ik hem tegen. Hij eet een broodje en luistert naar een opera van Purcell. Heel gewoon... een oersterk zorgenkind.


Donderdag 23 oktober 2003

“Het gaat heel goed met u,” zegt de cardioloog, “ondanks dat ik u en uw vrouw erg graag mag, wil ik u pas over een jaar weer zien. En over twee weken bel ik u op voor de uitslag van het bloedonderzoek. Wilt u dus bij de receptie twee afspraken maken: voor het bellen en voor een controle volgend jaar?”

Mooi, die onheilspellende pieken en dalen in de horizontale lijnen op de hartscan krijgen ons, ik bedoel hém, niet klein!

Een jaar! Tussen de laatste twee afspraken zat een halfjaar, en daarvoor zat er steeds drie maanden tussen.

“En, wilt u nog een nieuwe afspraak maken?” vraagt de receptioniste, terwijl ze de kaart voor het bloedonderzoek bekijkt.

“Nee”, klinkt resoluut naast mij.

“Ja”, zeg ik.

Hij kijkt verbaasd. “Hoezo?”  en na mijn toelichting: “Ach ja natuurlijk, stom.”

Het meisje noemt een datum in november en zegt dat we voor de afspraak van volgend jaar moeten bellen. Ze heeft nog geen agenda van 2004.

“Zie je wel, dat bedoelde ik”, hij zegeviert ongegeneerd, “dat wist ik!”


Woensdag 22 oktober 2003

We zijn op een zakelijk feestje in het Stedelijk Museum waar Connie Palmen in een toespraakje zegt dat ouderen zich naar hun leeftijd moeten kleden, waarop Catherine Keyl – die naast mij staat – met een ‘dank je’ de schoen past en aantrekt, terwijl haar blik één halve seconde omlaagglijdt, langs minirok, netkousen en laarzen boven de knie.

Na de toespraken praten mijn man en ik wat met elkaar en met anderen, drinken we Zuid-Afrikaanse witte wijn, eten we garnalen in bladerdeeg en nemen de jetset in ogenschouw.

Mevrouw Keyl is met de noorderzon vertrokken en mevrouw Palmen praat met mensen met wie ik in het belang van mijn carrière zelf zou willen praten en los daarvan zou mevrouw Palmen het zich qua carrière prima kunnen veroorloven met mij in gesprek te gaan, maar dat doet ze niet, natuurlijk niet. Ze kent me niet. De cirkel is rond.

Mijn man aait mijn arm en zegt: “Liefje, ik heb razende honger, ga mee! Jij mag kiezen waar.” Hij is niet alleen classicus, maar hij heeft ook ooit zijn kandidaats psychologie gehaald en dat is soms best lekker! 


Dinsdag 21 oktober 2003

Hij komt thuis en zet een tas met brood, vlees en groente op de keukentafel.

“Je bent de hele middag boven geweest. Wat heb je gedaan?” vraagt hij.

“Ik heb geredigeerd.”

“Hoeveel kantjes?”

“Veel.”

“En vanavond, moet je dan werken?”

“Ja, deadline... Wat ga jij doen?”

“Lezen, Dante, ken je Dante?”

“Een beetje,  niet zo goed als jij, vertel eens iets over hem.”

 “Dante is goed, waarachtig goed... Dante gaat met veel overdreven nadenken gepaard... ik denk altijd aan Dante.”

Hij pakt de boodschappen uit.


Maandag 20 oktober 2003

Vanwege hun nieuwe positie in de kamer mogen de oude geluidsboxen vandaag een rijtje oude en nieuwe favorieten de revue laten passeren, een voor een.

“Gracias por la vida”, zingt de Chileense Violetta Parra uit de grond van haar hart. “Gracias por la vida”, herhaalt de Argentijnse Mercedes Sosa en haar stem sleept zwaar van het leven door de woonkamer.

Piano en trombone vertolken een halfuur lang  adembenemend directe en sobere klanken van John Cage’s ‘Two’. Hekkensluiter van de parade is ‘Job’ uit het Oude Testament, afwisselend uitbundig en ingekeerd, tot leven gebracht door het Choeur Gréorien de Paris.

Als de laatste klanken weggestorven zijn, geeft de man des huizes zonder omhaal van woorden een samenvatting: “Rijk!”

 

Zondag 19 oktober 2003

Hij komt mijn werkkamer binnen.

“Grammofoon”, zegt hij “Of heet dat niet zo?”

“Wat bedoel je?”

“Die van Bach, Beethoven, Mozart!”

“Eh...ja?”

“Kom-es kijken of die zo goed is.”

Ik loop mee. Hij heeft de versterker, tuner en cd-speler verplaatst.

“Dat heet geluidsinstallatie.”

“O ja, geluidsinstallatie, geluidsinstallatie, geluidsinstallatie.”

Later vind ik een briefje op tafel waarop staat gekrabbeld: grammofoon/geluidsinstallatie.


Zaterdag 18 oktober 2003

Eén streep zon valt over het Italiaanse terrasje en precies in die streep zitten wij met espresso en tomatensap. Mijn prins-gemaal staat op om een foto van zijn prinses te maken.

“Zal ik een foto van jullie samen maken?” vraagt een vriendelijke voorbijganger van ongeveer vijftig.

“Ja leuk”, zeg ik.

Met het kostbare toestel in zijn handen, ontvangt de man een zorgvuldige uitleg over inzoomen en afdrukken. Hij richt de lens op ons, het lampje licht rood op, teken dat de foto gemaakt wordt.

“Dit is een hele bijzondere foto”, roept hij over zijn schouder als hij zijn weg vervolgt.

Gretig buigen we ons over de camera om de bijzondere foto bekijken, maar alle knoppen zijn bevroren, er is geen beweging in te krijgen. Vloekend pogen we slimme oplossingen te verzinnen, nog steeds gebogen over de camera, als de man weer langsloopt en verpletterend vrolijk roept: “Mooi hè? Een héle bijzóndere fóto!”

Mijn gemaal voelt zich geamputeerd nu zijn favoriete machine het niet meer doet. “Een vreemde, dat geeft geen goed betoog, dat moet niet meer”, moppert hij bezeerd.

Resoluut pakt hij de camera op, vraagt twee keer of ik het niet erg vind om de marktboodschappen alleen te doen en wandelt naar de fotozaak waar hij het apparaat gekocht heeft.

De lens blijkt licht ontzet te zijn. Camera moet opgestuurd worden, maar met een klein beetje wrikken krijgt de fotohandelaar hem toch weer aan de praat. Het weekeinde mogen we de camera nog gebruiken, maar dinsdag moet hij opgestuurd naar de fabriek, binnen de garantietijd.


Op deze foto weten we nog niet welke wolk de volgende minuut voor ons in petto heeft.









Vrijdag 17 oktober 2003

Ons vriendje Duizendpoot is langs geweest en heeft de kwaliteit van ons leven op een hoger plan gebracht.

(1) De geluidsboxen staan niet meer naast elkaar op de grond achter de bank; op flinke afstand van elkaar hangen ze aan draaibare beugels tegen het plafond.

(2) Radio 4, die al weken in coma lag door losse draadjes,  is weer bij kennis.

(3) En... de dwarse dimmer laat zich gewillig bedienen, zelfs door de linkerpink van mijn echtgenoot.

Vooraf
gaand aan de opera ‘Azione teatrale L'isola disabitata’ van Haydn in stereo op 4, applaudiseer ik voor hem als hij met een bescheiden lachje de fruitlamp aantikt.

Hij kijkt naar de lamp alsof hij hem voor het eerst ziet branden en zegt uit de grond van zijn hart: “Machtig mooi, die lamp!”







donderdag 16 oktober 2003

We zijn vanavond de stad in geweest om tomaten, tartaar en beenwarmers te kopen. Als ik mijn jas aan de kapstok hang, hoor ik gejammer in de woonkamer. Ik snel erheen en zie hem worstelen met de dimmer van de fruitlamp.  “Kan ik helpen?” vraag ik behulpzaam. Hij kijkt me vernietigend aan en zegt: “Verdomme!”

Lamp-aan-lamp-uit is inmiddels een dagelijks ritueel geworden; hij volgt mijn aanwijzingen maar de lamp blijft hardnekkig donker.

Ik doe het opnieuw voor: handpalm tegen de dimmer, losjes indrukken... enzovoort.  Ha, ha ook bij mij gebeurt er dit keer niets.

O jee, afgang! O nee, toch niet!

“Ik moet het met mijn linkerpalm doen in plaats van de rechter”, verklaar ik hem mijn falen. Ik wissel de handen en de lamp floept aan, terwijl ik toch rechts ben.

Hij kijkt me wantrouwig aan en zegt: “Wat is nou je... hoe heet het ook alweer...  je... ik kan er niet opkomen... hè verdorie! Wat is dat nou... dat jouw hand machtige middelen geeft?”

“Mijn geheim?”

“Ja jouw geheim.”

“Mijn geheim ben jij! Zonder jouw bezielende aanwezigheid kreeg ik de lamp niet aan.”

Hij grinnikt, maar niet van harte.

Een uur later. Het is bedtijd.

Hij struint mijn werkkamer binnen: “Kom-es.”

“Wat dan?”

“De lamp... hij gaat niet uit”

We lopen naar beneden.

Hij doet weer zijn uiterste best, maar de lamp blijft branden.

“Goed zo, de lamp is uit, zie je wel?” plaag ik.

Hij kijkt gepijnigd. “Doe jij het dan,” zegt hij.

"Ik doe het de hele week al..." gooi ik zout in de wonde en ik geef tegelijk de dimmer een duw.

“Liefje, de lamp is uit!” hij lacht en loopt voor me uit naar boven. Zijn rug lacht niet mee, zie ik.


woensdag 15 oktober 2003

“Hoe doe je dat nou?” hij kijkt gekweld!

“Losjes m
et je handpalm duwen tot je weerstand voelt, en dan je kuitspieren spannen, en dan je lichaamsgewicht naar je pols dirigeren, en dan in een keer ‘plop’ hard doorduwen. Kijk zo,” ik triomfeer treiterig.

We staan bij de dimmer van de fruitlamp in de woonkamer. Deze dimmer is een week geleden in de plaats gekomen van een andere dimmer die de kapotte badkamerdimmer moest vervangen.

Allemaal oude dimmers.

Sindsdien krijgt hij de fruitlamp niet meer aan of uit. En ik wel! Deze rolverdeling zijn we niet gewend, mij bevalt-ie wel, maar hij lijkt zwaar beproefd.

 “Wil jij dat ding af.. eh.. ik bedoel aansteken?” vraagt hij vermoeid.







dinsdag 14 oktober 2003

“Je hebt geen betamelijke frats in je aandacht!” zijn stem klinkt onverbiddelijk.

We staan samen voor de spiegel en zojuist heb ik hem op een lubberende kaaklijn gewezen. “Dit  noemt men hamsterwangen en gisteren waren ze nog veel kleiner!”

Op lieve toon antwoordt hij dat ik onzin uitkraam. Volhardend kraak ik mijn uiterlijk verder af en gaat hij door met het bejubelen ervan. Hij zegt alles wat een vrouw maar wil horen. Vergeefs. De kaaklijn wordt grimmig. "Kijk dan!"

“Je hebt geen betamelijke frats in je aandacht!”  Slagvaardig liefkoost zijn vinger een van de hamsterwangen. Hij heeft natuurlijk gelijk: je eigen lichaam afbreken getuigt van onbehoorlijke (geen  betamelijke), nukkige (fratsige) gedachten (aandacht). Maar toch...

Om zijn woorden kracht bij te zetten maakt hij met zijn nieuwe digitale camera een foto van mijn linkerwang. "Zeg-es even, waar zit die hamster?" vraagt hij.








maandag 13 oktober 2003

Het is inmiddels een vertrouwd beeld geworden: ik heb steevast een blocnote en een pen in de buurt om zijn uitspraken te noteren op het moment dat ze zich aandienen.

We kijken tv, ik sta nog even op om blocnote en pen te pakken en leg ze naast mij neer.

“Wat is dat?” vraagt hij.

“Dit is een pen en dat is een blocnote.”

“O ja, hahaha. Waarvoor is dat?”

“Nou om op te eten. Ik heb altijd graag iets te knabbelen als ik tv kijk.”

Hij kijkt mij niet-begrijpend aan.

“Zeg maar als je ook een hapje wilt,” moedig ik aan.

Dan lacht hij bevrijd: “Misschien moet ik ook maar weer gaan schrijven!”